Carl Flesch overleeft de Jodenvervolging in Hongarije

Carl Flesch‘Hoe heb jij Jeshua gevonden?’ vroeg een voorganger van een gemeente me onlangs. Mijn antwoord was, ’Ik heb Hem niet gevonden, omdat ik nooit naar Hem heb gezocht. Hij vond mij.’ Gedurende 2000 jaar kerkgeschiedenis zijn er altijd Messiaanse Joden geweest. Joden, die geloven dat Jeshua de beloofde Messias is, die aanvankelijk in de gestalte van een knecht kwam om als zondeoffer voor het volk te sterven. Dat zijn de wortels van het Christendom.
Ik kan mijn biografie niet samenvatten in een paar pagina’s, zelfs niet een deel ervan, maar ik zal een paar gebeurtenissen en wonderen delen die mijn familie heeft meegemaakt en enkele historische data geven.
Ik ben geboren in Boedapest, Hongarije, in 1933, twee weken voordat Hitler rijkskanselier in Duitsland werd. Dit kan de reden zijn geweest waarom ik het enige kind van mijn ouders bleef. Mijn ouders waren religieus, maar niet orthodox. Mijn moeder stak iedere vrijdag de kaarsen aan, maar we hadden geen koosjere huishouding en gingen alleen op de grote feestdagen naar de synagoge. Wij waren geassimileerd, net zoals de meeste joden in Duitsland of de Oostenrijk-Hongaarse monarchie. In de eerste plaats waren wij Duitser, Oostenrijker of Hongaar. Het ontwaken kwam pas in 1933.

Hongarije en de Jodenvervolging

Hongarije nam reeds voor de Tweede Wereldoorlog de zo genoemde Jodenwetten in acht, wetten die beperkten hoeveel Joden konden studeren (numerus fixus) of bepaalde beroepen konden uitoefenen. Miklós Horthy, een admiraal van de Oostenrijks-Hongaarse marine, die regent werd over Hongarije na een 133-daagse regering van de Sovjets in 1919, hing Joden op toen hij met anticommunistische gevolg Hongarije binnentrok. In die tijd was Hitler nog maar een soldaat eerste klasse.
In de Tweede Wereldoorlog vocht Hongarije met de Duitsers tegen de Sovjet-Unie. Joden werden opgeroepen tot dwangarbeid. Ze moesten loopgraven graven of werden over de mijnenvelden gedreven om deze te ruimen. Toen de Russen de Karpaten, het gebergte aan de grens met Hongarije, over waren, wilde Horthy het verbond met Duitsland verbreken. De Duitsers bezetten vervolgens op 19 maart 1944 Hongarije. De situatie voor de Joden verslechterde dramatisch. Ik herinner me de colonnes motoren met zijspan met bewapende Duitse soldaten rijdend door de straten. Dezelfde dag kwam Eichmann naar Boedapest en de deportatie van Joden naar Auschwitz en andere dodenkampen begon, te beginnen bij de Joden uit de dorpjes en steden. Slechts enkelen keerden terug van deze transporten.
Na enkele dagen werd mijn vader opgeroepen voor dwangarbeid en naar Buchenwald getransporteerd. Wij ontvingen van hem nog een of twee kaarten. Pas na de oorlog hoorden wij dat hij de laatste dagen van zijn leven doorbracht in een kamp vlak bij Weimar in Duitsland, in Berga an der Elster, waar de Duitsers een ondergrondse fabriek wilden aanleggen. Dat gebeurde toen men het artillerievuur van de Amerikanen al kon horen! Toen mijn vader op een ochtend te verzwakt was om op te staan werd hij doodgeslagen.

Overleefd door wonderen

Wij hadden een grote winkel met fournituren in het centrum van Boedapest. Onze winkel werd gesloten, net als alle andere winkels of fabrieken van Joden. Joodse gezinnen kregen een kamer per gezin in speciale huizen die gemerkt waren met een gele ster. Wij moesten een gele ster op onze kleding dragen. Mijn drie grootouders, mijn moeder en ik hadden twee kamers in een flat. De keuken en het bad moesten we met anderen delen. Wij mochten het huis alleen tussen twee en vier uur ‘s middags verlaten om inkopen te doen. Er was geen school voor Joodse kinderen. Met een klasgenootje die in hetzelfde huis woonde en met andere kinderen bracht ik de tijd door.
Deze tien maanden van maart 1944 tot januari 1945 hebben we alleen door een wonder overleefd – en omdat er onvoldoende tijd was om alle Joden om te brengen. Wie niet in wonderen gelooft is geen realist! Toeval bestond en bestaat niet.
Een van de wonderen was de volgende: Alle Joodse mannen waren al opgeroepen voor dwangarbeid. Nu pakten de Hongaarse nazi’s ook de vrouwen op. Op een ochtend moesten alle vrouwen tussen 18 en 50 jaar zich verzamelen op de binnenplaats en zich klaar maken voor het transport. De nazi’s hadden een lijst met de namen van alle bewoners van het huis. Daarop stond ook mijn moeder die toen 42 jaar was. Toen men de namen voorlas, riep iemand bij een bepaalde naam: ‘Die is al boven de vijftig’. Haar naam werd doorgestreept. Mijn moeder kon voor een kort moment terugkeren naar het trappenhuis om die vrouw te zeggen, dat ze niet hoefde te komen. Een jonge vrouw met een baby trok mijn moeder in haar flat en verborg haar in de badkamer. Op de een of andere manier misten de nazi’s haar niet toen ze vertrokken met de rest van de vrouwen.

Ondergedoken

Het was tijd om onder te duiken. Mijn moeder besloot dat we ons in de kelder van onze gesloten winkel zouden verbergen. In die tijd hielden de nazi’s op straat razzia’s. Joden werden samengedreven, in een steenfabriek verzameld en in een mars gezet richting het westen. Mijn moeder en ik wilden proviand naar onze schuilplaats brengen, toen wij werden opgepakt in een razzia. Mijn grootouders waren nog in onze flat en wij werden in de richting van de steenfabriek gevoerd. Het werd langzaam donker en het regende. De straten waren omzoomd door rijen lage huizen met grote poorten, die kleine deuren hadden. Een van deze deuren was half open. Wij verstopten ons achter die deur en wachtten tot de colonne voorbij was. Wij haalden de gele ster van onze jas en moesten goed oppassen, dat er geen gele draden achterbleven. Wij liepen terug door de donkere straten naar onze flat en belden aan bij de ingang. Gelukkig kwam niet de nazi-huismeester naar buiten, maar zijn vrouw. Zij liet ons zonder woorden binnen. De volgende dag zijn wij in onze schuilplaats in de kelder van onze winkel getrokken. Hier zaten wij de hele dag in het licht van een gloeilamp.
Na tien dagen werkte deze isolatie op onze zenuwen. De neef van mijn moeder zorgde uiteindelijk voor een ‘Schutzpass’. Deze werden uitgegeven door de consulaten van Zwitserland, Zweden en het Vaticaan. Bepaalde huizen stonden onder de bescherming van deze staten. Boedapest was toen al omsingeld door het Rode Leger. De Hongaarse nazi’s, de Pijlkruiserspartij, hadden de onbegrensde macht in het land en doodden iedere Jood die ze konden vinden.
Mijn grootvader ging er op uit om een beschermd huis te vinden. In dat huis verbleven wij enkele weken. Het was reeds november. De Pijlkruisers kwamen tweemaal, zonder respect voor de consulaire bescherming en voerden Joden weg. Mijn moeder ontkwam ook hieraan op wonderbaarlijke wijze door zich achter een kast in onze kamer te verstoppen.
Wanneer mensen werden weggevoerd was de vraag altijd: in welke richting gaat de mars? Er waren twee mogelijkheden: naar het getto of naar de Donau. De mensen die meegenomen werden naar de Donau, moesten al hun eigendommen achterlaten. Daarna werden zij neergeschoten met semiautomatische geweren en vielen in de rivier.

Het getto en zijn val

Een paar dagen voor Kerstmis 1944 werden alle mensen van het beschermde huis afgevoerd naar het getto. Mijn moeder, mijn drie grootouders moesten alles wat men aan bagage had bij de ingang afgeven. Ik glipte achter hun rug langs met een tas met een brood van ca. twee kilo. Dit was het eten dat we hadden, een rantsoen van 20 gram/dag, totdat de Russen arriveerden. Er was slechts een kraantje in de kelder van het huis, waaruit het water drupte. Ik moest hier urenlang in de rij staan. De temperaturen waren ver onder het vriespunt en er was geen glas in de ramen van de kamer waar wij verbleven. Wij sliepen op de vloer. Mijn haar moest afgeknipt worden, omdat ik vol luizen zat. Er waren geen hulporganisaties, ambulances, geen begraafplaatsen. De doden werden in een massagraf in een park begraven.
Op 17 januari 1945 werd het getto door de Russen bevrijd en de muren werden naar beneden gehaald. We waren vrij.
Het was een hele koude winter. Dit had als enige voordeel dat we geen koelkast nodig hadden om levensmiddelen te bewaren. Wij trokken in de kleinste kamer van het huis van mijn grootouders. We maakten de ramen met karton en stukken glas dicht. We verwarmden de kamer met hout dat we uit ruïnes van gebombardeerde huizen haalden. We aten het vlees van dode paarden die diepgevroren op de straat lagen. Linzen, bonen en maïs vormden het voedsel voor de komende maanden.
Er volgden drie jaren van democratie met een meerpartijensysteem. Mijn moeder had de winkel van mijn vader weer geopend. In 1948 hebben de communisten door vervalsing van de verkiezingen de macht gegrepen. Onze winkel werd genationaliseerd en mijn moeder kreeg een baan in een muziekschool, aangezien zij pianolerares was. Na mijn eindexamen van de middelbare school kon ik niet studeren. Nu niet omdat ik een Jood was, maar omdat mijn vader een ‘kapitalist’ was en geen boer of arbeider. Ik heb een jaar doorgebracht op de afdeling pathologie van een groot ziekenhuis en werd labtechnicus. Een jaar later werd ik – dit was ook wonderbaarlijk – aangenomen als student Farmacie. Vlak voor mijn staatsexamen verliet ik Hongarije tijdens de oproer in 1956. Het is een verhaal op zich, hoe God mij ondanks deze chaotische omstandigheden van Boedapest naar Basel leidde. Dat had een reisbureau niet beter kunnen regelen.

Afschuwelijke dreiging

Ik wil terugbladeren naar december 1944. Wij waren in dit ‘beschermde’ huis. Zoals gezegd wilde men mij en mijn grootouders twee maal van elkaar scheiden en slechts door een wonder werd zij beide keren gered. Met een andere jongen stond ik vaak op het platte dak van het huis en keek toe hoe de geallieerden het industriegebied, dat ongeveer vijf kilometer verderop lag bombardeerden. Wij waren niet bang, wij waren kinderen en het was een avontuur. Maar de wetenschap dat we meegenomen konden worden naar de Donau en ieder moment van de dag neergeschoten konden worden vormde een afschuwelijke dreiging.

Openbaring

In het voorjaar van 1945 ontmoette mijn moeder een Joodse zakenvrouw, Maria Rózsa. Zij en haar man hadden een grote winkel in woninginrichting. Mw. Rózsa verloor haar zestien jaar oude zoon en haar jongere broer. Beiden waren neergeschoten tijdens een mars naar een dodenkamp. Ze waren Messiaanse Joden. Zij hadden vrijgesteld kunnen worden, maar besloten mee te gaan met hun volk en te delen in hun lot.
Mw. Rózsa heeft ons opmerkzaam gemaakt op Deuteronomium 28 en de achtergrond hiervan uitgelegd. Ondanks het verschrikkelijke dat ze had meegemaakt, straalde haar gezicht een rust en vrede uit. Ik wil enkele verzen uit dit hoofdstuk lezen:
Vers 49 en 50: ’De HEERE zal een volk van ver weg tegen u doen opkomen, van het einde van de aarde, zoals een arend (de Romeinse of Duitse?) aan komt zweven; een volk waarvan u de taal niet verstaat, een meedogenloos volk, dat oude mensen niet ontziet en jonge mensen niet genadig is.’
Vers 64-67: ‘De HEERE zal u verspreiden onder al de volken, van het ene einde van de aarde tot aan het andere einde van de aarde. Daar zult u andere goden dienen, die u noch uw vaderen gekend hebben, hout en steen.
Daarbij zult u onder die volken niet tot rust komen en uw voetzool zal geen rustplaats hebben, want de HEERE zal u daar een bevend hart, kwijnende ogen en een treurende ziel geven. Uw leven zal voor u aan een zijden draad hangen; u zult nacht en dag beangst zijn en uw leven niet zeker zijn. ‘s Morgens zult u zeggen: Was het maar avond! En ‘s avonds zult u zeggen: Was het maar morgen! vanwege de angst die uw hart bevangen heeft en vanwege het schouwspel dat uw ogen zien.’
Ik was als door de bliksem getroffen. Ik was elf jaar oud en dit is wat ik iedere avond en ochtend zei, ‘… als het maar morgen/avond was’. Hier was iemand die mij van binnen en van buiten kende, voor wie ik doorzichtig was als glas, die mijn gedachten kende duizenden jaren voordat ik was geboren.
Dit was een ervaring zoals Nathanaël had. Zijn verhaal staat in Johannes 1:45-50: ‘Filippus vond Nathanaël en zei tegen hem: Wij hebben Hem gevonden over Wie Mozes in de wet geschreven heeft, en ook de profeten, namelijk Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth. En Nathanaël zei tegen hem: Kan uit Nazareth iets goeds komen? Filippus zei tegen hem: Kom en zie. Jezus zag Nathanaël naar Zich toe komen en zei over hem: Zie, werkelijk een Israëliet in wie geen bedrog is. Nathanaël zei tegen Hem: Vanwaar kent U mij? Jezus antwoordde en zei tegen hem: Voordat Filippus u riep, toen u onder de vijgenboom was, zag Ik u. Nathanaël antwoordde en zei tegen Hem: Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël.’ Mijn reactie was als die van hem: ‘Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël.’ En sindsdien heb ik werkelijk grotere dingen dan die zien gebeuren.

Blijvende verandering

Mijn moeder en ik sloten ons aan bij een gemeente met ca. 20 procent Messiaanse Joden. Dat was absoluut uniek in die tijd in Oost-Europa. Andi Ungar en Hugo Berliner waren mijn rabbijnen en in velerlei opzicht vaders in de plaats van mijn vader. Hun uitleg van de Tenach en het Nieuwe Testament was de melk waarmee ik opgroeide. Prof. F. Kiss, professor in de anatomie aan de universiteit in Boedapest, was ook een van mijn ‘goeroes’. Hij was de stichter van de gemeente en heeft vele Joden geholpen en gered gedurende de Holocaust.
Jeshua sprak tot Nathanaël: ‘U zult grotere dingen zien dan deze’. Voor mij waren deze grotere dingen dat, wat ik geleerd heb door het lezen en bestuderen van de Bijbel.
Sommigen zullen zeggen: ‘Jij was slechts twaalf jaar en het was een emotionele gebeurtenis, die na verloop van tijd zal vervagen’. Had Saulus ook niet een emotionele belevenis op de weg naar Damascus? Ja, maar hij bestudeerde de Schrift en ontdekte dat Jeshua die hij onderweg ontmoette de Messias was waarvan is geprofeteerd in de Tenach dat hij zou komen en lijden voor de zonden van het volk. Zo hadden Luther en Pascal ook ingrijpende ervaringen, die hun leven blijvend veranderd hebben. Wanneer de Heilige Geest iemand werkelijk aanraakt, dan zijn de veranderingen diep en blijvend, zelfs eeuwig.
Het kan ook andersom gaan: sommigen kunnen door een eerlijk zoeken naar de waarheid en door het bestuderen van de Bijbel intellectueel de waarheid erkennen en dan tot een emotionele belevenis komen wanneer zij erkennen dat zij zondaars zijn en in het kruis van Jezus vergeving vinden.

Israël als voorbeeld

God heeft Israël uitgekozen als prototype, als een aanschouwelijk model. Waarom Israël? Daar heb ik geen antwoord op. Dat was Gods soevereine wil en besluit. Israël is een voorbeeld, hoe God met alle volken omgaat en wil omgaan.
Ik sluit af met een citaat van Karl Barth: ’Alles samen genomen, is de geschiedenis van Israël een paradigma en model voor de geschiedenis van alle volken, als zij de profetie als zodanig aanvaarden en erkennen, de sleutel tot het begrijpen van de wereldgeschiedenis.